Apologie van een acteur – Tweede bedrijf

Er zijn enkele mensen weggegaan, zie ik.
Maar jullie zijn gebleven.

Kijk … daarom voeg ik altijd graag een pauze in.
Ook als ‘t zonder pauze kan.
Voor ‘t publiek … en voor mij.
Ze kunnen voor de pauze nagaan of het de moeite loont om te blijven ….
Na een uurtje weten ze ‘t wel.
En dan is ‘t pauze en kunnen ze ongemerkt verdwijnen, als ze dat wensen, en van hun verdere avond nog wat maken.

Maar ook voor mij.

Er zijn dingen die je aan iedereen kan vertellen.
Dat deed ik voor de pauze.
En er zijn dingen die ik alleen vertel aan vrienden, die zich met mij verbonden voelen door wat ik voor de pauze heb verteld.
Mensen die mij liefhebben.
En die zie ik terug na de pauze.
Dat zijn jullie …
Die ik liefheb.

Ik zal jullie een teken geven van mijn liefde, en jullie nog een bekentenis doen.

Een paar kwalijke grapjes van daarstraks.
Voor ‘t succes.
Wat een akteur niet allemaal doet voor wat succes.
Ik heb mijn vrouw niet in ‘t openbaar verkocht op de Vrijdagmarkt.

Wie doet er nu zoiets?
En mijn eerste vrouw was geen danseres.
Als je een tweeling ter wereld hebt gebracht, kan je een carriere als danseres wel vergeten.

En vrouwen breien geen fouten in de pullovers van hun echtgenoten omdat ze aan hun minnaar denken, maar gewoon omdat iedereen wel eens een foutje breit in wat hij breit.

De dingen zijn wat ze zijn.

Maar hoe hou je ‘t uit zonder een verhaaltje erbij dat ze maakt tot wat je zou willen dat ze waren. En zo was mijn eerste vrouw een danseres, verkocht ik de tweede in ‘t openbaar op de Vrijdagmarkt, en breide de derde foutjes in haar pullovers omdat ze aan mij dacht.

En dat ik hier ben, komt niet doordat ze mij heeft doen opsluiten, maar gewoon omdat ik mij – in alle vrijheid – hier voor jullie poort heb aangeboden, om bij jullie te zijn, omdat het mij daarbuiten te eng werd.

Zo is dat.

Vergeet die grapjes dus maar.
Want vanaf nu wordt het ernst.

Wat we doen en gedaan hébben, is meestal niet zo belangrijk.
Belangrijk is vooral wat we graag gedaan hadden, en nooit gedaan hebben, om wat voor reden of oorzaak dan ook.

En daarover wil ik het nu hebben.

Voor mij was dat: In een monoloog van …” Vincent van Gogh ” … zijn leven verbeelden, en zijn sterven. Zoals hij het kan hebben ervaren in de enkele uren tussen het schot en zijn dood, tussen het schieten en het sterven.

Dat had ik graag gedaan … voor alles.
Niet Hamlet spelen, of Koning Lear, met de woorden van Shakespeare.
Maar Vincent Van Gogh zijn … met mijn woorden.

Maar als je gewoon bent om de woorden van anderen te spreken, kom je er niet toe de woorden te vormen voor een eigen tekst.
Een tekst van je ziel.

Tientallen keren heb ik er mij aangezet, elke keer helemaal opnieuw.
Maar telkens leek het mij weer zo eindeloos, die enkele laatste uren … zo ondoorgrondelijk diep, wat daar gebeurd moet zijn.

En telkens schoof ik het weer van mij weg.
En die kogel in zijn lijf, werd een kogel in mijn lijf, rakelings langs het hart.
En dat hart had ik nodig.
Voor Peter.

Maar nu – denk ik – zou het goed zijn voor Peter, als ik het deed.

Wat schrijvers tot schrijvers maakt, is, denk ik, dat zij dat gevoel van onvermogen niet kennen, of toch vlug overwinnen. Voor hen zijn de woorden toereikend, is het bestaan niet grondeloos. Zij bepalen zelf de bodem ervan. En de reikwijdte van de woorden. En dringen ons – akteurs – dan hun grenzen op, die wij respekteren.
En binnen die grenzen mogen wij dan onze gangen gaan en kreatief zijn.
Maar binnen hun grenzen.

Vincent Van Gogh.

Ik zag geen grenzen. En dus ook geen woorden.
God, wat lijnen en kleuren toch meer vermogen dan woorden!
Die heffen de grenzen juist op.

Jullie kennen van hem toch dat brandend korenveld, met die zwarte raven erboven?
De weelderige witheid van zijn appelbloesems?
De zomerse volheid van zijn zonnebloemen?
Samen de volheid van een menselijk bestaan.
Zijn ene unieke bestaan.

En dan is er dat schot.
Voor ‘t hart bedoeld.
Maar ernaast.
Feiten … harde feiten.

En dan zijn er nog die enkele uren tussen schieten en sterven.
Uren … vol jaren … naar de eeuwigheid toe.

Ik stel me dat zo voor.

Een kamer met een bed erin.
Een kaduke wastafel.
Een gammele stoel.
Zoals op dat schilderij dat hij gemaakt heeft van zijn slaapkamer.
Wat zwak licht van de ondergaande zon.
Daarin, scherp, een schot.
Gekras van raven, dat wegsterft.

En dan weer stilte.
Een lange, dreigende stilte.

Gestommel op de trap.
Hij struikelt de kamer binnen.
Blijft enkele ogenblikken geknield op de grond liggen.
Staat moeizaam recht.
Legt een pistool op de wastafel.
Steunt er enkele ogenblikken op.
Legt een hand op zijn borst, onder zijn kleren.
Kijkt ernaar. Allemaal bloed.
Veegt zijn hand af aan zijn broek.
Wankelt naar het bed.
Gaat erop liggen, in stilte.
En in die stilte maken zich langzaam woorden los uit zijn lichaam.
En onder die woorden brokkelen de muren van de kamer weg en lost zijn lichaam zich op tot louter geest. Louter taal.

Ik ben dus niet dood.
Nog niet.
Door de borst geschoten.
Maar bij vergissing niet door het hart.
Wel door… Ik weet het niet, waardoor.

Ik heb anatomie gestudeerd.
Hoe kan je anders mensen tekenen.
Maar dat is de buitenkant.
Spieren … beenderen.
Over het hart leer je niet in de anatomie.
Het hart hoef je niet te tekenen.
Dat zit erin, erachter, eronder.
Het hart spreekt een eigen taal.
Dat maakte het juist zo moeilijk om de techniek van het tekenen te beheersen.
Ik moest daarvoor eerst mijn hart leren kennen en beheersen.

Mijn hart spot met de techniek.
Het hield er altijd de gek mee.
Daarom werd ik ook in Antwerpen doorgestuurd.
Vanwege dat hart.

Maar de techniek wreekt zich – merk ik nu.

Ik heb altijd geprobeerd om mijn hart te doen spreken.
Door de oppervlakte heen.
Nooit, hoe ik het moest doen zwijgen.

Het ademen wordt moeilijk.
En er is pijn. Maar niet te erg.
En het hart klopt voort.

Eigenlijk is er maar weinig verschil met daarstraks.
Maar er is wel meer rust.
Ik voel het bloed vloeien.
Er komt een ogenblik dat het niet meer vloeit.
Dan houdt de werking van het hart wel vanzelf op, zou ik denken.
Tik – tik – tik

Wat is het stil nu.
En leeg.
Wat een rust.
Geen verf meer die ik moet uitsmeren.
Geen doek meer dat ik moet vullen met de kleuren van mijn werkelijkheid.
Geen penseel dat zich opdringt aan mijn vingers.
Het grote wit. Het volmaakte doek van het eeuwig en oneindig ene.

Ik ken jullie.
De weesman.
De turfsteker.
De naaiende vrouw.
Twee ginder bij een cipres.
En Sien … de hoer, in haar vele verschijningen.

Tien jaar lang dacht ik jullie te kunnen benaderen met mijn woord van predikant.
Maar mijn stem was te zwak.
Dan heb ik tien jaar lang geprobeerd jullie te benaderen met potlood en penseel.
Maar mijn hand was te zwak.

Toen – plots – wist ik dat een pistool het beste penseel is.
En ikzelf het beste doek.
En rood de juiste kleur.
En nu schilder ik het doek langzaam rood.
Dieprood.

Als jullie later ooit een tekening of een schilderij van mij onder ogen krijgen, denk dan aan dit laatste, beste doek, dat met mij zal verdwijnen, maar dat jullie nu hebben gezien en dat jullie zullen terugzien in alles wat ik heb gemaakt, onhandig, en vreemd.

Maar ik heb ze gemaakt.
Voor jullie.
Opdat je ze zou ophangen in je woning, in je werkplaats, als getuigenis van je lijden, en je verlangen naar rust. En van mijn aanwezigheid onder jullie.

Er is zoveel verdriet in mij … om mezelf … en om jullie.

Straks sta ik voor de Heer.
Ik weet niet wie hij is, de Heer.
Of wat hij is.
Maar zeker niet de Heer van mijn vader, die mijn liefde voor Kee Vos ‘onkies’ noemde, en mij ‘t liefst in een instelling had geplaatst.
Dat is de geest van de Heer niet.
De Heer is goed, en vol begrip, zoals mijn vader nu zeker weet, nu hij dood is.
De Heer heeft ons lief. Ik zal hem vragen ons allemaal op te nemen in zijn vrede.

Vreemd, hoe van hieruit alles anders is.
Hoe jullie anders zijn.
Alsof ik je recht in de ziel kan zien.
Zoals ik recht in de ziel van de dingen zie.
Wat mijn voornaamste bezigheid was.
Of mijn enige.

Toen ik probeerde jullie te tekenen, zocht ik in jullie naar de zuivere lijn die je was … elk van jullie, de lijn die je uniek maakt, je onderscheidt van alle anderen.
Ik oefende mijn hand om die lijn zuiver over te brengen op het papier, zodat ze onvervalst tot in der eeuwigheid zichzelf zou blijven.
Wat er met jullie verder ook zou gebeuren.

Het is mij nooit gelukt.
Wat je niet ziet, kan je niet tekenen.
Maar nu zie ik de lijn, in elk van jullie, en in mij die ze ziet.
In dit ogenblik van rust, zonder de krampachtigheid van mijn onmacht, die het teken van mijn waarachtigheid is. En die slechts één waarheid overhoudt: ik heb jullie lief, ik heb Sien lief, de hoer in al haar verschijningen.

Vreemd is dat.
Nu het bloed wegvloeit, ik weet niet waarnaartoe, begin ik jullie, en mezelf te zien.
Nu pas, na die vele zelfportretten die ik gemaakt heb vanuit een bedompte spiegel van wat ik dacht dat de werkelijkheid was.

Die vreemde man.
Nooit rechtuit.
Altijd half opzij.
Een beetje beschaamd om zichzelf voluit te tonen.
Hoe trots en uitdagend hij ook uit zijn ogen kijkt.

Eerst alleen het rechteroor.
En toen ik dat had weggesneden, in een moment van hoogmoed, van wanhoop, het linkeroor.

Elke tekening, elk schilderij is een zelfportret.
Niet aangenaam om te zien, zeggen ze, en daarom ook nooit een schilderij verkocht.
Tot ongenoegen van wie met mij een zaakje wilde doen.
Een opslagplaats van zelfportretten werd ik, waarin ik hopeloos ben verdwaald.
Want geen van jullie had zichzelf erin herkend, hét magisch teken dat mij had kunnen redden uit mijn labyrint.

Maar nu heb ik de weg gevonden naar jullie ziel.
Met een pistool. De rechte weg van het pistool.
De kortste omweg naar het hart.
De enige die mij overbleef.

‘Jullie dachten dat ik krankzinnig was’ ???
Sommigen hebben het me gezegd.
Mijn vader.
En Gauguin, mijn goede vriend de grote schilder, voor wie ik zoveel bewondering heb.
En Sien, de hoer.

Mijn broer niet.
Hoewel die alle reden had.
Maar hij is mijn broer.

En zo ben ik dan de weg van de krankzinnigheid gegaan.
Uit vrije wil. Naar de plaats toe waar de krankzinnigheid een onderdak heeft.
Maar dat was niet genoeg.
Het heeft geen zin je een plaats te zoeken buiten jezelf.
De enige eigen plaats is vanbinnen.
Als je die gevonden hebt, dan is er rust.
En nu heb ik er mij met geweld een weg naartoe gezocht.
Eindelijk. Tenslotte wil een mens toch alleen maar rust.

Ik ben zevenendertig nu.
Maar ik ben ouder dan de oudste onder jullie.
Dat merk je als je naar mijn zelfportretten kijkt.
Van het vroegste zelfportret af.
Wanneer was dat ook weer.

In één dag word ik soms tien jaar ouder.
Zoals die dag toen Sien weer terugging naar de hoeren.
Toen ik inzag hoe klein mijn liefde was geweest.

Er is geen hoop voor ons.
Wij zijn de kleine zielen van de liefde.
Profeten van een woord dat wij niet spreken kunnen.
Gevangen engel met gebroken vleugels, die zijn glans en zijn glimlach in ons verloor.

Zo’n inzicht maakt ‘oud’.
Ik weet niet hoe oud ik ben.
Misschien wel de tijd voorbij.

Ik ben zo oud als de jaren dat mijn werk mij zal overleven.
Want ik heb altijd gewerkt voor de rust van het ogenblik, telkens opnieuw … en dat is toch de eeuwigheid.

Ik geloof vast dat er een ogenblik zal komen dat jullie mijn werk vanonder het stof vandaan zullen halen, en in mooie lijsten zetten, en zeggen: Kijk, dat heeft een mens gemaakt die er niet veel van kon, maar die wel voelde wat er met ons aan de hand is.

En dat heeft hij in lijnen en kleuren een stem gegeven, hoe schor die stem ook klinkt. Maar dan moet je wel willen luisteren.

Jullie willen toch luisteren?
Jullie kunnen toch luisteren?
Ik zal jullie leren luisteren.
Als ik mijn stem gevonden heb, zullen jullie kunnen luisteren, en mij horen.
En de waanzin vergeten waarin anderen over mij zullen spreken.
Die alleen maar zichzelf willen horen, in geleerde welsprekendheid, niet mij, in mijn eenvoud.

De eenvoud van de armoe, van de liefde, van het verlangen naar rust.
De eenvoud van een potlood op een blad papier, van wat verf op een doek.
De eenvoud van mijn taal, die ik ben, buiten alles wat ze “kunst” noemen.

Dat ” ruilobjekt ” … groot als het vertaald wordt in goud, klein als het blijft wat het is: een zwarte lijn op een blad wit papier, enkele vegen verf op een doek.

Dat is alles wat ik ben.
Meer wou ik niet zijn.
Als er ogenblikken waren dat ik meer wou zijn, dat ik een ‘kunstenaar’ wou zijn, dat de Heer, die mij zijn potlood leende en zijn penseel het mij vergeve.

Gaf hij mij om zo’n moment van dwaasheid dit pistool?
Vergat ik daardoor waar de juiste plaats is van het hart?
Omdat ik niet in staat was om enkel vanuit het hart te spreken?
Dan zal het nu gebeuren.
En dan zal ik kunnen sterven.
In de vrede van de Heer.

Maar er zal wel altijd droefheid zijn, een droefheid zonder einde.
Ook als er vrede is.
Maar misschien is dat maar eerst vrede? En ware schoonheid?

Droefheid is niet treurig.
Je kan bedroefd zijn met een glimlach … die haar mooi maakt.

Jullie mogen niet treurig zijn, als ik er niet meer ben.
Want ik heb jullie leven gegeven.
Als over honderd jaar jullie gebeente is verbleekt, en jullie graf vergeten onder ‘t gras, zullen die van daarbuiten in lange rijen staan om de ware lijn te zien die je was, en waarin je eeuwig bent … en die ik heb gezien … en getekend, en waarin ik eeuwig ben.

Of ben je er bang voor om altijd verder hier en nu aanwezig te zijn?
Heb je liever dat ik je weer vernietig?
Eén woord aan mijn broer, en jullie zijn vernietigd.
Hij weigert me niets.
Dat is mijn hoogmoed.
Theo weigert me niets.
Zelfs niet de vernietiging van wat door zijn liefde voor mij is ontstaan: Jullie eeuwigheid.

Maar jullie zijn moedig. Zoals ik.
Wij zien het onder ogen.
Wat er verder ook gebeure.
Onze opdracht.
In pijn en schoonheid.
Schepsel en schepper – onverbrekelijk in onmacht verbonden.
In droefheid.
Zonder einde.

Met de cipressen.
En de zonnebloemen.
En het korenveld met de raven.
Met de zon die niet verwarmt, maar verbrandt.
Met de aarde die niet voedt, maar vernietigt.
Met het doodmoe paard op de wankele brug van Langlon, en het doorgezakte kerkje van Auvers.
Met de Pieta.
En de Barmhartige Samaritaan.

En met Theo, mijn arme broer, die zichzelf steeds vergeten heeft voor mij, en die – nu ik sterven moet – zijn leven met het mijne zal zien verdwijnen.
Die zijn enig kind mijn naam heeft meegegeven – Vincent – om mee te leven.
Moge de Heer hem vrede schenken,na de onrust van de liefde die ik voor hem geweest ben.

(Lange stilte)

Muziek

( Hijgend )

Het duurt nu niet lang meer.
Ik moet voor mezelf uitmaken wat er met mij aan de hand is.
Wat er al zevenendertig jaar lang met mij aan de hand is.
Ik moet mij met mezelf verzoenen, en met al de anderen, Met de pijn, en de eenzaamheid, en de wanhoop, en de onmacht.

En met de vrouwen.
De vrouw.
Dat onvatbaar wezen, dat ik waanzinnig liefheb, en dat ik waanzinnig vrees.
Die mijn rust had kunnen zijn, en die mijn leven lang mijn onrust is geweest, als een ander ik …
Dat mij aantrekt als het ontbrekende stuk in de puzzel die ik ben, en dat ik ongewild afstoot omdat ik bang ben er mij in te verliezen.

Geef mij je ziel zegde ze.
Maar wat ben ik zonder mijn ziel?
Ik geef jou mijn ziel, zegde ze.
Maar wat is dat, haar ziel?
Had ik haar ziel kunnen leggen in wat ik teken en schilder?
En hoe kan je dood gaan met de ziel van iemand anders?

Of heeft ze toch bezit genomen van mij, zonder dat ik het weet?
En heb ik me daarom door de borst geschoten, om haar ziel eruit te verdrijven, die mij belette te leven?
Of heb ik mijn ziel willen doden,om die vreemde zware zonde die haar belet heeft bezit te nemen van mij, en heeft zij door mijn hand wraak genomen om wat ik haar niet heb toegestaan?
En neemt zij nu met geweld wat ik haar niet geweldloos heb gegeven?
En zal ik pas kunnen sterven als er daarover klaarheid is in mij?

Ik wou dat Theo hier was.
Dan kon ik het hem vragen.
Maar zal hij zelf nog verder kunnen leven, als hij er alles van begrijpt?
Hij is pas getrouwd.
Heeft pas een kind.
Dat hij Vincent gedoopt heeft.

Ze hebben hem een telegram gestuurd.
Maar ‘t is beter dat hij het niet ontvangt.
Of toch niet te vroeg.
Ik moet dit zelf doen.
Alleen.

Hem niet belasten met ook nog dit allerlaatste, na alles waarmee ik hem belast heb, zijn hele leven lang, en waar hij nooit ‘nee’ op heeft gezegd, tegen al de anderen in, die vonden dat ik gek was, en vervelend, en ijdel, en nijdig, terwijl ik toch allen maar zo leek, wanneer ik diep gekwetst was in mijn zelfrespekt en in mijn verlangen naar vriendschap.

Ik heb altijd zo’n honger gehad naar vriendschap.
Het verlangen was zo hevig soms, dat mijn gezicht er scheef van trok, en ik niet meer was om aan te zien.
Het deed mij dan woorden zeggen die niet mijn woorden waren, met een stem die niet mijn stem was, maar de stem, en de woorden, en het gezicht van de pijn, die mijn wezen vreemd was, zodat ik een vreemde werd voor hen.

En ik zag het aan, als in een spiegel, en dat verscherpte nog de pijn, en vergrootte de afkeer die ze van mij kregen, die hen zo wanhopig liefhad.
En ik kreeg een afkeer van mezelf.

Maar straks is dat allemaal voorbij.

Als ik nu voltooi wat ik jaren geleden begonnen ben, en jaren lang heb doorgezet, doorgevochten, doorgeleden.

Arme Vincent.
Er blijft zo weinig over, dat je je afvragen kan waarvoor het allemaal heeft gediend.
Wie ermee gebaat is.
Je wou altijd maar beter tekenen, beter schilderen.

Waarom eigenlijk?
Waarom?
En waarvoor?
En voor wie?
Voor jezelf?
Voor Theo?
Voor dat iets daarboven, dat onnoembaar is …
Dat in de schepping leeft, en dat blijft als al het andere voorbij is en vergaan?

Was ik daarom nooit voldaan, omdat ik dat wou vastleggen in lijnen en kleuren, door de mensen en de dingen heen – en het niet kon?

Werd ik daarom afgewezen, omdat mijn zonnebloemen en knotwilgen dát wilde tonen, en het niet konden, en daarom niets voorstelden, niets, allemaal wangedrochten?

Mijn oor kon ik afsnijden en vastplakken op het doek naast mijn geschilderd oor, en zeggen: Kijk … Wat is ‘t verschil?!
Of wilde ik toen het onnoembare uit mij snijden, en was ‘t alleen maar mijn oor, omdat dat jarenlang geluisterd had om de taal te begrijpen die het onnoembare in mij spreekt?
En was dat het ultieme teken van mijn onmacht, en zijn absolute macht over mij?
Arme Vincent, en wrede god.

(Héél lange Stilte)

Gij zwijgt de hele tijd.

(Stilte)

Gij zijt net een vrouw.
Sommige vrouwen.
In wier stilzwijgendheid ik mij afvroeg waarin ik had tekortgeschoten, wat ik verkeerd gezegd had, of gedaan.

De stille beschuldiging dat ik haar niet voldoende liefhad, of de vrees dat zij mij niet meer liefhad, – de honger naar een teken van erkenning of aanvaarding, een glimlach van begrip. Ik ben toch maar een mens!

(Stilte)

Ik weet wat de beschuldiging was.
Ik hield meer van mijn tekeningen dan van hen.
Of liever – van de tekening die ik wilde maken, maar nooit maken kon, wat mij onrustig maakte, en verstrooid. En dat kunnen ze niet verdragen.

Ze wisten niet dat ik in elk van hen zocht naar het onnoembare, – zodat ik het niet meer zou moeten tekenen, maar samen met haar het kon beleven.

Nu zij er niet meer zijn, beginnen zij in mij te leven.
Allemaal bloemen, zonnebloemen, op hoge slanke stengels, gegroeid uit de aarde, naar de zon toe met haar diepe warmte.

(Lange Stilte)

Ik kan niet leven zonder de liefde van een vrouw.
Ik heb het nooit gekund.
Dan bevries ik.
Versteen ik.

(Stilte)

En dan kan ik niet tekenen.
Vrouwen houden niet van de laatste dingen.
Omdat ze er alles van begrijpen.
Ze proberen ons ertegen te beschermen.
Dat maakt ze praktisch … gevoelig voor het concrete, en daarom onontbeerlijk voor mij. En terzelfdertijd zijn ze voor mij het summum en het brandpunt van de laatste dingen en ook daarom onontbeerlijk.
Diep in zich dragen zij de zware dreiging der cipressen, en haar tegenstelling: het vermiljoen der klaprozen. De klaprozen – en hun vermiljoen.

Ik geloof in cipressen – en in de klaprozen.
Ik moet hun aanwezigheid voelen, hun welwillende aanwezigheid.
Ik moet uw blik gevestigd zien op mij.
Op de ogen waarmee ik naar u kijk zodat ze verbonden blijven met de vingers waarmee ik u teken.

(Stilte)

Toen Kee Vos liet zeggen dat ze niet thuis was voor mij, heb ik mijn hand vlak boven een kaarsvlam gehouden, en gezegd: Kijk, ik wil haar spreken, zolang als ik mijn hand kan houden boven deze vlam.
Maar ze trokken mijn hand weg en zegden dat ik gek was.
Wat weet iemand anders van jou liefde.

(Stilte)

Heer, met u zou ik willen spreken zolang als ik mijn hand kan houden in een vlam.
Maar gij houdt niet van spelletjes.
Gij laat u niet chanteren door ‘t mierenvolk.
Toch hebt gij ons ‘mens’ genoemd.
Bij ons doopsel.
En later nog eens.
Bij onze begrafenis …

( Lager – revolte )

Maar daartussen is ‘t allemaal wroeten en zweten en honger lijden en paren voor de toekomst, en met onze ogen wijdopen inkijken op de nacht.

(Stilte)

( Rust )

Ik had niet mogen tekenen.
Ik had te veel duisternis gezien.
In de mijnen van de Borinage.
De mannen die ik eruit zag opstijgen, droegen de duisternis uit de diepte met zich mee naar boven.
En ik bezat het licht niet dat hen kon opheffen naar het licht.
Hoe wanhopig graag ik dat ook wilde.
Ik bleef een buitenstaander.
Ik deelde hun duisternis niet.
Ik had met hen moeten afdalen in de mijn.
Dan had ik het misschien gekund.
Maar ik heb het niet gedaan, verblind door het licht dat ik wou zijn, in domme gehoorzaamheid aan mijn kortzichtige superieuren.

(Stilte)

( Triomf )

Maar toen vond ik de manier, mijn manier, om met hen af te dalen in de duisternis.
Al tekenend.
Al die mensen in hun miserie van elke dag.
En de aarde, de donkere aarde, die hen had voortgebracht, om haar te bewerken, en die ze daarna weer in zich opnam …

Moederschoot en graf tegelijk.

Ik tekende hen zo, dat zij mee aarde leken, uitstulpsels van aarde.
Met ogen die geroepen waren voor het licht, maar vastgekluisterd bleven aan het duister.
En al tekenend werd ik één met hen, en hun lot werd mijn lot, en tenslotte tekende ik alleen nog maar mezelf.
Met elke potloodlijn groef ik dieper in de aarde die ik zelf was.

(Stilte)

Ik had niet mogen tekenen.

Ik had moeten luisteren naar mijn vader: “Stop ermee. Doe iets eerbaars.”
En al die anderen: “Stop ermee, als je niets kan maken dat verkoopbaar is.”

( Reeel )

Ze wilden niet gekonfronteerd worden met hun eigen debacle.
Voor zoiets geef je toch geen geld!
Zoiets lijst je toch niet in!
Zoiets hang je niet op in de kamer waar je eet en drinkt, en gezellig met mekaar praat, en paart en slaapt.
Zoiets zet je toch alleen maar aan het denken.
En denken over wat anders dan praktische dingen, dat doe je toch beter niet.

(Stilte)

( Langzaam )

Eén van mijn gelukkigste momenten was die keer toen de arbeiders van Van de Ven een afdruk zagen van die zaaier van mij, en vroegen of ze er allemaal een afdruk van mochten hebben, om thuis aan de muur te hangen.

Zij hadden gevoeld wat ik wilde: de duisternis tekenen om de duisternis te bezweren en te overwinnen.

( Met hoofd knikken en na 2 seconden )

Dát zou de magische kracht van de kunst moeten zijn.
Dát was mijn obsessie.
Niet het vuur gaan roven bij de goden, zoals Prométhuis, maar hun duisternis, om de kracht van de duisternis te neutralizeren.

(Stilte)

( Sneller – Innerlijk – Revolte )

Maar ze hebben het mij wel betaald gezet, de goden.
De jaloerse goden.
Ze hebben mij bij mijn nekvel gegrepen als een gekooid konijn, en mij met mijn neus door de duisternis gewreven tot hij er vol mee zat.

En dan hebben ze mij weggeslingerd in die afgrond van licht die Zuid-Frankrijk is, vol waanbeelden, fata-morgana’s voor mijn ogen, die erdoor verblind werden, vertroebeld, uitgewist.

(Lange Stilte)

‘t Wordt donker.
Dit is mijn laatste dag.
Vandaag wordt het beslecht, voor de zon opnieuw opgaat.
Zonder mij.

Als ik er niet in slaag zin te zien in wat met mij gebeurd is, ben ik verloren.
Ik moet ze eronder krijgen, de goden, met hun valkuilen van verlokking en vernietiging.

( Luchtig )

Eén van hen is mij goedgezind.
Vast een godin.
Zij boog de baan van de kogel om, weg van het hart.
Voor een laatste kans.
Een laatste tekening.
Ingekleurd.
Dieprood.
Die al het andere in de afgrond jaagt.
Voor die éne godin – moet het.

(Stilte)

Gisteren, nee eergisteren, schreef ik aan Theo: “Ik zou je over veel dingen moeten schrijven, maar ik voel het nutteloze ervan.”
En nog meer van die dingen in mineur.
En toen ik dan ook nog geschreven had: “Maar wat wil je”, heb ik van het blad papier een prop gemaakt.

Dat het er allemaal niet toe doet, mocht ik wel denken, maar het hem niet zeggen, na alles wat hij voor mij gedaan heeft, in het geloof toch dat het er allemaal wel toe doet.

Hij is nog zo jong.
Heeft pas een kind.
En misschien doet het er allemaal toch wel toe, op een manier die ik nu nog niet begrijp, maar straks misschien.

(Stilte)

Ik heb een nieuwe brief geschreven … en verstuurd, en aan die brief moet ik mij houden. ” Succes met de zaken . Tot spoedig. Maak het goed. “
Allemaal alsof er niets aan de hand is.

(Lange Stilte)

Het uur van de balans.
Het uur dat er gewogen wordt.
Dat ik gewogen word.
Door mezelf gewogen word.

Maar hoe kan ik terzelfdertijd vracht zijn en balans, en het oog dat op de schaal het gewicht afleest?
Ik moet de dingen zien in hun juiste perspektief …
Ik moet mezelf zien in het juiste perspektief.
Het perspektief waarin God mij ziet.

Voor het met mij gedaan is.
Hier – met mij – gedaan is.

( Hoofd tegen rug van zetel – met horten en stoten )

Ik ben alleen nog in wat ik getekend en geschilderd heb.
En in wat ik aan Theo heb geschreven.
En waarin ik nu verdwijn.

Al de rest zal straks herinnering zijn, die vervaagt … en verdwijnt, in al die droefheid die zal blijven … en die de laatste rust is.
Alsof er nooit iets anders is geweest.

(Lange stilte)

Pie Jezus

( Toneel overschouwen en naar bloemen )

Zo had ik het mij voorgesteld, en zo heb ik het nu voor de eerste keer gedaan,

hier … voor jullie.

(Stilte)

( Conclusiezinnen – traag – onderlijnd )

” Ik wou in wat voorbijgaat, datgene vatten wat niet voorbijgaat “, zoals Van Gogh zelf in één van zijn brieven schreef.
Dat iets van daarboven, dat nu en dan in ons opflitst, en even een helder licht over de dingen doet schijnen, en uit de dingen …
En dat de dingen dan even vasthouden … als het licht in de fosforizerende cijfers en wijzers van een wekker.
Tot het weer vervaagt.

( Helemaal naar rechts voor )

Daar heb ik nu woorden voor gevonden.
En die woorden hebben jullie gehoord.
Dat kan niet meer ongedaan worden gemaakt.
Nooit meer.
Tot in der eeuwigheid niet.
Eigenlijk zou ik me nu opgelucht moeten voelen.
Maar ik ben het niet.

Ik heb daarstraks gezegd: Ik heb jullie lief.
Maar hoe groot is mijn liefde?
Heb ik daarvoor het leven wel genoeg lief?

Ik heb gezegd: Ik heb Peter lief.
Maar heb ik hem genoeg lief om hem toe te laten mij lief te hebben, zodat zijn liefde aan zijn hand de vastheid geeft om te kunnen tekenen wat hij tekenen moet zonder drie glazen bier.

Bij Elfi heb ik tekortgeschoten.
Dat kan niet meer ongedaan worden gemaakt.
Nooit meer.
Maar daardoor heeft ze mij geleerd hoe het moet.
En daarom moet het met Peter anders gaan.
Ook ter wille van Elfi.

Ik heb jullie lief.
Jullie die gebleven zijn, hebben mij lief.
Anders had ik de monoloog van Vincent van Gogh niet kunnen doen.
Of toch niet zoals ik het gedaan heb.

Door het spel te brengen van hoe mensen tot liefde komen in het uur van hun dood, zal ik tot liefde komen voor Peter.
En als Peter dan komt, dan zal ik hem alleen nog maar moeten aankijken, om zijn hand de vastheid te geven die hij nodig heeft.

Maar dan moeten jullie mij wel helpen.
Door jullie volle aandacht te schenken aan wat ik nog moet zeggen.
Tot alles gezegd is wat ik aan hel en hemel in mij draag.
Tot er alleen nog maar zwijgen is, en droefheid … met een glimlach.

( Van podium )

Want ik mag toch blijven?