In 1996 speelde ik De Apologie van een acteur – een monoloog van Michel Thys – naar het leven van Vincent Van Gogh. Het was een hele uitdaging om de twee uur durende tekst te memoriseren. Tegelijkertijd was het een ultieme uitdaging in mijn lange toneelcarrière.
Vincent Van Gogh heeft me daarna nooit meer echt losgelaten. Bezoeken aan Arles, Saint-Rémy-de Provence, Het Kröller-Müller museum … waren dan ook geen toeval.

Als ik de tekst van de monoloog nu herlees, verbaas ik me dat ik dit ooit heb aangedurfd. Maar het was vooral de zoektocht naar de juiste zegging van de mooie woorden waar ik van genoot. En vooral: ik heb eruit geleerd om ‘van achter naar voor’ te leven … leven in het hier en nu.

Wij weten maar hoe diep – diep – we iemand liefhebben, als die er niet meer is,
en blijven achter met elk woord, elk gebaar dat haar heeft pijn gedaan,
elk woord dat niet werd uitgesproken, en waarvan het uitblijven haar heeft pijn gedaan,
als een splinter in de keel.

Elk gebaar dat niet werd voltooid, als een kramp in de vingers, voor altijd.

Wij blijven achter in schuld, die nooit kan worden goedgemaakt,
en steken ons steeds verder in diepere schuld door al de woorden
die we later tegen anderen zeggen, die haar onwaardig zijn,
en al de gebaren tegenover die anderen die wel worden voltooid,
tot onze grote definitieve verdoemenis.