Een befaamd acteur heeft zich, uit vrije wil, laten opnemen in een psychiatrische inrichting, omdat het hem daarbuiten te eng werd.

Na een lange – succesrijke – carrière wil hij daar op zoek gaan naar vrede en vriendschap, naar liefde en rust. Maar wat is dat … liefde? En voor wie … en voor wat?

De liefde voor mensen en dingen – het leven?
De liefde tussen man en vrouw, ouders en kinderen?
De liefde voor ‘dat iets daarboven’, dat onnoembaar is en dat blijft als al het andere voorbij is en vergaan?

In zijn honger naar liefde en begrip, graaft hij diep in een ver verleden, dat hem zò vaak en zò diep heeft gekwetst. Zijn wij allen immers niet de kleine zielen van de liefde, profeten van een woord dat wij niet spreken kunnen?

Om zijn zoon Peter te redden, wil hij reeds lang een eigen tekst vinden en zeggen, een tekst van zijn ziel. Maar nog nooit heeft hij dat gedurfd.

Via die ‘Monoloog van Vincent van Gogh‘ wil hij … ‘door het spel te brengen van hoe mensen tot liefde komen in het uur van hun dood’ … tot liefde komen voor Peter.

Is hij dan misschien toch, géén ‘gevangen engel met gebroken vleugels, die zijn glans en zijn glimlach verloor?’