De Apologie van een akteur – Eerste bedrijf.

Volgens goede gewoonte, zou ik jullie moeten danken … omdat jullie hier aanwezig zijn om naar mij te komen luisteren.

Ik zou om jullie ‘welwillendheid’ moeten verzoeken, in verband met mijn ‘ontoereikendheid’ als akteur en als mens, te meer omdat ik wegens ontoereikendheid hier ben ondergebracht.

Een psychiatrische inrichting van het hoogste niveau … bij jullie … gezegend zoals ik met het voorrecht om hier ‘te mogen’ verblijven, degelijk gevoed en gehuisvest … degelijk begeleid om weer mens te worden op het hoogste niveau.

Welnu, lieve vrienden en vriendinnen … ik verzoek jullie niet om jullie welwillendheid.

Als die er al niet was, dan waren jullie toch niet naar hier gekomen. Want jullie zijn toch vrije mensen.

Tenzij er onder jullie natuurlijk zijn die hier herrie willen komen schoppen … die dachten: die zullen we eens goed voor de gek gaan houden … die gek.

Maar niemand van jullie heeft dat gedacht, want jullie zijn gekken zoals ik, en waar ter wereld vind je groter samenhorigheid dan onder gekken …?

Of niet soms?

En diegenen onder jullie die ‘niet gek’ worden genoemd, omdat ze hier zijn aangesteld om gekken te onderscheiden van niet-gekken … en ze hier in afzondering te beschermen tegen de ‘niet-gekken’ daarbuiten … en ervoor te zorgen dat ze tevreden kunnen leven in hun zalige staat van gek-zijn, en – God betere het – ze misschien zelfs te genezen … wat dát dan ook mag inhouden …

Ik bedoel inderdaad onze geachte heer directeur, de zeer geleerde dames en heren psychiaters, en onze geliefde verpleegsters en verplegers, die hier onder ons zijn. Ik zou zeer te kort doen aan hún reputatie van alomgeprezen welwillendheid, indien ik hen er zou van verdenken dat zij mijn optreden – hier vanavond – zouden willen saboteren.

Trouwens … zij zijn het – die mij gevraagd hebben om hier voor jullie op te treden.

Met een eigen programma.

Als akteur met nationale reputatie beschouwen ze mij waarschijnlijk als een aanwinst onder jullie, lieve vrienden en vriendinnen.

Welnu … ik hoop mij – dat voorrecht en dat vertrouwen – waardig te tonen.

Er zijn hier kunstschilders en beeldhouwers, weet ik, voor de verfraaiing van het milieu, binnenshuis en in het park …
Ik heb al ruimschoots de gelegenheid gehad om hun werk te bewonderen.

En dichters … en filosofen … en mensen van de wetenschap, positieve wetenschap en geesteswetenschap, zoals dat heet.
Ik heb kennis met hen gemaakt … aan tafel … en tijdens de wandeling.
En groot geestelijk genoegen aan hen beleefd.

En er zijn de eenvoudigen.
De eenvoudigen des harten … of van geest, zoals dat in het evangelie zo mooi geschreven staat. Zij maken geen kunstwerken, zij nemen niet deel aan de grote feesten van het woord, maar zij zijn wat ik hoe langer hoe vuriger hoop te worden:
Mensen, van alledag, van vlees en bloed.
Zoals mijn moeder dat was.
Mensen van gezond verstand, zou ik haast zeggen, als dat niet in tegenspraak was met de aard van dit milieu. Hun bestaan in deze wereld verbaast en verblijdt mij nog het meest. Zoals ik verbaasd en verblijd ben over elke vis die het vervuilde water in onze rivieren overleeft.

Allemaal mensen dus van het hoogste niveau.

En dan is hier nu ook nog een akteur.
Voor de zo noodzakelijk ‘rekreatie’ op hoog niveau.

Alle rede dus, lieve vrienden en vriendinnen, om géén sabotage te verwachten van onze geachte heer directeur, de zeer geleerde dames en heren psychiaters, en onze toegewijde verpleegsters en verplegers.

Integendeel.

Juist van hen verwacht ik de diepste aandacht … Een andere aandacht.

Want is er een betere gelegenheid dan deze voor hen denkbaar, om hun laatste twijfel weg te nemen, zo die er nog mocht bestaan, omtrent de vraag …. of ik wel degelijk gek ben?

En als dat voor hen dan zonneklaar zou blijken uit wat ik jullie vanavond allemaal zal vertellen, wat een mogelijkheid voor hen dan om op het spoor te komen van wát mij krankzinnig heeft gemaakt, en om middelen te verzinnen om mij weer gezond te maken, en anderen misschien voor een soortgelijke ziekte te behoeden.

Alhoewel, als akteur, met nationale reputatie, moet het mij niet moeilijk vallen om de gek te spelen, ook als ik het niet werkelijk ben, en dan niet vanuit een grondige studie van de gekheid, zoals zij die hebben doorgemaakt … maar vanuit mijn intuitie als kunstenaar, gevormd in een vijftigjaarlang verblijf daarbuiten.

Maar ze kunnen gerust zijn.

Lang geleden heb ik eens een boek gelezen dat ongeveer als volgt begon:
‘Ze zeggen dat ik krankzinnig ben, maar ík zal jullie bewijzen dat ik het niet ben.
Welnu, dat is dan niet mijn geval.
Als er hier vanavond iets bewezen wordt, dan juist dat ik het wél ben.
En ik ben er trots op.

Ik spreek hier vanuit mijn krankzinnigheid, vanuit de volheid van mijn krankzinnigheid, tot jullie ……. krankzinnigen zoals ik.
Ik spreek vanuit de volheid van mijn waanzin tot de volheid van jullie waanzin, zodat jullie mij kunnen begrijpen.

Waarom zijn jullie anders hier? Niemand verplicht je.

Je kon evengoed voor de televisie zitten nu, of onder mekaar gezellig praten, vrolijke herinneringen ophalen, of gaan wandelen in het park, of gaan slapen ….
Maar nee, jullie verkozen om te komen luisteren naar een gek.
Daar moet je toch zelf behoorlijk gek voor zijn.
Of niet soms?

Maar … je zal het je niet beklagen.
Ik zal jullie verhalen vertellen voor gekken.
En wie niet gek is, zoals die daarbuiten, zou er niks van begrijpen.

Als gekken onder mekaar zijn wij hier samen, en als er onder jullie mochten zijn die ook graag eens een gek verhaal willen vertellen …. aangestoken door mijn gekheid, wel die zal ik hier in dankbaarheid ontvangen en hem of haar het woord afstaan, als ‘t maar gek genoeg is om die daarbuiten voor gek te zetten met hun alom geroemd gezond verstand … wat dat dan ook moge zijn.

Ik wil beginnen met een bekentenis …

Ik heb jullie lief.

Een paar jaar geleden heb ik Oedipus gespeeld.
De psychiaters spitsen hun oren !!
Op het einde, weet je wel, steekt Oedipus zich de ogen uit.
Welnu, keer op keer moest ik met geweld de drang weerstaan om mijn ogen echt uit te steken, uit weerzin voor mezelf en de anderen en voor heel dat gedoe … dat leven heet.

Maar ik weerstond de drang … vanuit een goede reden.
Hoe kon ik anders de volgende dag weer optreden?
En een akteur is toch iemand die optreedt, nietwaar?

Wat ben ik nu blij dat ik het niet gedaan heb.
Want ik heb jullie lief.
Ik hou ervan om naar jullie te kijken.
Zoals je daar zit.
Met heel je aandacht …
Je ogen gericht op mij.

Heel je wezen gespannen naar wat ik jullie kom vertellen, met heel mijn wezen.
Want vertellen dat doe je niet alleen met je mond, maar met heel je wezen …
je lichaam-wezen, dat geest wordt van je geest, communicerende geest,
geest – die beelden die in mij zijn – creeert in jullie geest,
zodat er hier een eenheid ontstaat die weergaloos is in de totaliteit van de cosmos
zoals ‘God’ hem schiep en dynamisch laat voortbestaan.

Zo heb ik jullie lief.
Zo … hoop ik … hebben jullie mij lief, en zal onze liefde groeien met de woorden die ik spreek. Want de liefde, lieve vrienden en vriendinnen, is het allerhoogste, en wee degene die haar verraadt. Of die door haar verraden wordt.

Zijn er onder jullie die de liefde hebben verraden?
Of die in hun liefde werden verraden?

‘Ik’ heb de liefde verraden.
Ik werd in mijn liefde verraden.
Maar tussen die twee heb ik nooit zo goed een onderscheid kunnen zien.

Ben ik het die de liefde verraadt?
Of verraadt de liefde mij?
Is die liefde in mij?
Of is ze buiten mij?

Maar misschien is het antwoord niet te geven, en is het ook niet zo belangrijk.
Het resultaat, vrienden en vriendinnen, dat is wat telt.

En het resultaat, dat zijn wij, zoals wij hier samen zijn, met onze liefde voor iemand anders, en de liefde van iemand anders voor ons, mogelijk twee verschillende mensen, maar niet noodzakelijk.

Met ons verraad tegenover iemand anders, en het verraad van iemand anders tegenover ons, ook twee verschillende iemanden, misschien, maar ook niet noodzakelijk en met de moeilijkheid om daar uit wijs te raken en er wat mee te doen.

Zo’n slokje nu en dan helpt mij om mij te concentreren.

Ik heb een zoon … Peter.
Doet grafiek op de akademie.
Zo’n tekenaar.
Maar die handen van hem die beven … de hele tijd.
Tot hij enkele biertjes heeft gedronken.
En dan geen trilling meer.
Vaste hand.

Zo is ‘t ook een beetje hier.
Maar zo een slokje nu en dan, en alles weer stevig in de hand.
Nu ja , als ‘t daar goed voor is, waarom dan ook niet, he?

Als ik gedronken heb, één glaasje volstaat, en ‘t liefst alleen, en laat, zijn alle mensen goed, en ik ben goed, en God bestaat, en morgen is er vrede, in heel de wereld.
Ken jij een betere reden als ‘t om een glaasje meer of minder gaat?

Pracht van een jongen, Peter.
Artistiek, zonder gelijke.
Had alles kunnen beginnen.
Ja, ook theater.
Maar daar is hij wat te stil voor.
Een beetje te veel in zichzelf gekeerd.

Een akteur moet – extensief zijn … een vlotte jongen in ‘t milieu …
Een grote mond opzetten … zich durven uitspreken … zo van:
Hé!!! Hier ben ik!! Gezien ?! Hè???
Hoog … Breed … Diep.
Maar Peter … ‘t lijkt wel alsof hij altijd bang is voor iets.

Net zoals Elfi … zijn tweelingzuster.
Mijn dochter … die dood is.
Die was ook zo artistiek.
Erg gevoelig.
Erg kwetsbaar.
Kon op ‘t einde niet meer lachen.
Alleen nog maar glimlachen.
Zo’n glimlach die als een sluier over je gezicht hangt, en dan weer verdwijnt, als nevel.

‘Allez kom, pa’, zei ze, en ze glimlachte.
Maar zo droevig.
Tot ook die glimlach er niet meer was.

Ze wou alleen wonen … ja, dat is de trend.
Maar niet alleen dat.
Met mij was niet te leven.

En ze had iemand leren kennen …
Fredje … die van zijn kamer was gezet.
Als ze samenwoonden, konden ze de kosten delen.
Maar hij had geen cent.
Verdiende ook niks …
Uit principe.
Wou niet meespelen in het kapitalistisch systeem.

En zij gaf haar studie op … fotografie … het vijfde jaar, en ze werd dienster in een snackbar.
En op een keer kwam ze ‘s nachts thuis en Fredje had bezoek.
Vrouwelijk bezoek …. een logé.
En voor Elfi was er toch nog de sofa.

…. Weet ik van Peter ….

En een paar weken later trok die logé weer op en Fredje ging met haar mee en trok bij haar in. En Elfi kroop in haar hoekje.
Als ik haar opzocht, zat ze daar, kleintjes, in haar hoekje.
“Maar Elfi toch”, zei ik … en ze glimlachte:
“Allez kom, pa”, zei ze, ” ‘t gaat wel over “.

Maar ‘t ging niet over.
Maanden lang bleef het zo …
En dat allemaal om die knul.

Maar misschien ging het wel verder, dieper, in regionen van haarzelf die ze nu pas leerde kennen. Toen vrienden van hem haar kwamen opzoeken, bleek dat ze allemaal aan de drugs waren. En binnen de kortste keren zij ook.

… Weet ik van Peter …

“Allez kom, pa” – zei ze – en ze glimlachte.
En op een avond nam ze de trein naar hem toe.
Ze had maar geld voor een ticket tot Mechelen maar hij woont in Brussel.
En ze trok te voet verder.
Het vroor … en ‘t begon te sneeuwen.
En ‘s morgens werd ze gevonden in ‘t gras naast de weg.
IJskoud … Stijf … Onder een wit kleed.

Twee dagen daarvoor had ik haar nog gewaarschuwd:
“Elfi, kom nu toch eens tot jezelf.”
“Allez kom, pa”, zei ze … en ze glimlachte.
“Er valt hier niet te lachen”, zei ik, ” ‘t is serieus, doodserieus “.
“Jaja”, zei ze.
En een ‘ja’ bij haar was ‘ja’.
En ze glimlachte niet meer.

En toen ik haar terugzag, was ze doodserieus en helemaal zichzelf.
En toch was er nog iets van die glimlach overgebleven, iets van … “Allez kom, pa”.

Ze maakte mooie foto’s, Elfi.
Stillevens … mooie hoekjes in de stad.
En verre landschappen … ‘t liefst onder de sneeuw.
“Voor ‘t contrast”, zei ze.
En portretten … Van mij … Van mijn grote rollen.
Als Hendrik IV van Pirandello.
Van Oedipus, de koning op de trappen van ‘t paleis:
“Gij bidt, en wat gij vraagt, bekomt gij ook als naar mijn woord gij luisteren wilt en zorg besteden aan uw krankheid, krijgt gij licht een afweer in uw nood en leniging.”

Van Oedipus met de ogen uitgestoken wou ze niet weten.
“Nee, pa”, zei ze, “‘t zou lijken alsof ik zelf door mijn foto jou de ogen had uitgestoken”. En als Hamlet … To be or not to be … O jee.
“Ik wil zó’n echt portret”, zei ze, “dat de woorden mee op de foto lijken te staan.”
“Wel wat oud, ik, voor Hamlet”, zei ik.
“Hamlet heeft toch geen leeftijd”, zei ze.
“En jij ook niet.”

Koning Lear op de heide, met zijn dode dochter, Cordelia, op zijn schoot, in storm en onweer – dat heb ik haar nooit durven vragen.
Voor haar niet, en voor mij niet.

Vreemd.

Als ik aan haar denk, zie ik haar soms zelf op een foto.

Als Ophelia … De gekke Ophelia.

En vanuit de verte – ergens – zie ik haar dansen.

De gekke dode Polonius. De betweter. Met zijn goede raad.

‘Er valt hier niet te lachen’. Aas voor de wormen.

Gedoemd om eeuwig op die foto te kijken naar zijn gekke dansende Ophelia.

En als Kassandra.

De gekke dichteres, die de ondergang van haar volk voorzag en in haar ziel meedroeg, en in haar ogen, de eigen ondergang tegemoet, stom geworden na zoveel vruchteloos spreken, waar zelfs haar vader doof bij bleef – die haar zo liefhad.

Als ze een foto van Peter had gemaakt, dan had het er een van Vincent Van Gogh kunnen zijn – diezelfde obsessie in zijn ogen – datgene wat hem voor mij tot een mysterie maakt – en dat ik moet openbreken – als ik hem redden wil.

Ze was een goeie fotografe, Elfie.
En nog maar in ‘t vijfde jaar.
Op de jaarlijkse tentoonstelling waren er vijf foto’s van haar te zien, apart, omkaderd door een breed zwart lint.
Dat hadden ze niet mogen doen.
Die foto’s zijn niet dood.
In die foto’s leeft zij voort.
De wereld even stilgezet … een eeuwigheid … met een glimlach.
‘Allez kom, pa.’

Een moeder had ze nodig, Elfi …. geen vader, zoals ik.
Een akteur zou geen kinderen mogen hebben.
Voor de kinderen niet … en voor hemzelf niet.
Dat Peter maar kan tekenen als hij drie glazen bier opheeft, ‘s morgens al, dat is toch niet normaal. Of wel soms?

Heeft iemand van jullie een zoon die ‘s morgens al drie glazen bier moet binnengieten om een vaste hand te hebben?
Niemand toch.
Die heeft ook een moeder nodig … Een echte.
Niet zo’n opgekallefaterde pop van … ‘Hebben jullie mij al gezien, hoe sexy ik wel ben?’
Trouwens zij is zijn moeder niet.

O ja, ze zou een goeie moeder zijn.
“Die kinderen hebben toch een moeder nodig!”
Een moeder? … Jawel, ja! … Maar niet zoiets.
En ik had het kunnen weten … Blinde Oedipus.
Met mijn ogen wijdopen van bewondering en geil als een jonge bok.
Ze heeft mijn kinderen opgevreten.
Ze heeft mij mijn kinderen doen opvreten.

God nog aan toe, hebben jullie mij hiervoor uitgenodigd?
Lieve vrienden en vriendinnen, die ik liefheb als mezelf.

Zal ik, als Antonius bij het lijk van Caesar, mij omkeren, en wenend mijn hoofd leggen tegen een zuil, zodat jullie in stilte weg kunt gaan, beschaamd om zoveel smart in mij, die ik zo onomwonden toon?

Jullie willen liever blijven.
Ik wil ook blijven.
‘t Is goed hier, bij jullie.
En zij die ons leiden en goed voor ons zijn, blijven ook, de heer direkteur, de dames en heren psychiaters, onze geliefde verpleegsters en verplegers.

Ik zal jullie iets moois vertellen.
Over hun moeder.
De echte moeder van Peter en Elfi.
God hebbe haar mooie ziel, want ze was goed voor ons.
Maar op een avond ging ze dood.
Zo maar … Pfft.
Weg.

Drie dagen mooi opgebaard.
In een paradijs van bloemen, en twee wenende kinderen van zeven.
En dan die begrafenis.
Twee meter diep de grond in.
Weg.

Wij weten maar hoe diep – diep – we iemand liefhebben,
als die er niet meer is, en blijven achter met elk woord,
elk gebaar dat haar heeft pijn gedaan,
elk woord dat niet werd uitgesproken,
en waarvan het uitblijven haar heeft pijn gedaan,
als een splinter in de keel.
Elk gebaar dat niet werd voltooid, als een kramp in de vingers, voor altijd.
Wij blijven achter in schuld, die nooit kan worden goedgemaakt,
en steken ons steeds verder in diepere schuld door al de woorden
die we later tegen anderen zeggen, die haar onwaardig zijn,
en al de gebaren tegenover die anderen die wel worden voltooid,
tot onze grote definitieve verdoemenis.

Dát – was mijn mooi verhaal.

Als iemand er een mooier kent, mag hij hier komen en het ons vertellen.
De wereld heeft behoefte aan mooie verhalen!
Wie vertelt ons het mooiste verhaal ter wereld?!
Zelfs het verhaal van God is geen mooi verhaal.

Jullie geloven toch in God?
Ik geloof in God.
Ook al is ‘t geen mooi verhaal.
Trouwens, een verhaal hoeft niet mooi te zijn, opdat je ‘t zou geloven.
Hoe mooier verhaal, hoe minder geloof, zou ik zelfs zeggen, hoe graag we ‘t ook zouden geloven.

Maar het verhaal van mijn vrouw is waar.
Hoe mooi het ook is.
Weet je hoe dat komt?
Omdat het zo kort was.
Mooie verhalen zijn altijd kort.

Een pijl die zijn doel mist, schiet zijn doel voorbij, en tijdens het vliegen zakt hij steeds dieper, tot hij uiteindelijk in ‘t zand blijft steken, krachteloos, geen pijl meer, alleen nog maar een zielig stukje hout, met een veertje eraan.

Wij hadden de tijd niet om te verzanden.
Veel werk.
Goed werk.

Zij, op weg om een grote danseres te worden, en ik een groot akteur, allebei vol respekt voor elkaars kunst, en samen bezig met de kinderen.

Kinderen en kunst, dat is het mooiste wat er is.
Allebei zuiver.
Ademen nog de onschuld van het paradijs.

Christus stierf toen hij drieendertig was.
Ik had ook moeten sterven toen.
Ook aan het kruis.
In plaats van deze vermoddering … al meer dan tien jaar lang.

De dag na haar begrafenis ben ik de straat opgegaan en heb de bedelaar gespeeld.
Voor het centraal station … met uitgestoken hand.
De meesten liepen mij voorbij.
In een boog om mij heen.
Anderen schrokken, alsof ze in een hinderlaag waren gelopen, en stopten mij vlug wat geld toe.
Maar géén die mij in de ogen keek.
En dát was nu net wat ik vroeg: enkele ogenblikken van herkenning.
Oog in oog.

Het geld heb ik achteraf in een riool gegooid.
Al dat geld waarmee ze geprobeerd hadden hun rust af te kopen.
Het stonk naar zweet. Angstzweet. Doodzweet.
Kondensatiezweet van lijken.

De volgende dag ben ik weer de straat opgegaan.
Naar de mijnen, waar gestaakt werd toen.
Ik heb de stakers toegesproken, om ze te steunen in hun verzet ….
Mijn verzet.
Maar ze hebben mij uitgelachen … “Bemoei je met je eigen zaken!”
En de gendarmes hebben mij geknuppeld en opgepakt en opgesloten, en weer losgelaten … Maar met een glimlach.
“Die wou alleen maar opvallen als akteur. Wat prive reklame maken.”

Maar mijn verzet was oprecht.
Mijn fout was dat ik ze had toegesproken met de woorden van Shakespeare, en Ibsen, en Bertold Brecht, terwijl ik het met mijn woorden had moeten doen.

Maar wat waren mijn woorden?
Wie was ik zelf, dat ik eigen woorden zou hebben?

Ze was een danseres.
En ze was dood.
Moet je je voorstellen.
Een dode danseres.
Dat is toch waanzin.
Opgesloten tussen zes planken.
In het duister van de aarde.
Star.
Verstijfd.
Bezig uiteen te vallen.
Tot stof.

En de kinderen.
Wat moest ik toen nog met de kinderen, nu zij er niet meer was?

Hallo … Elfi?
Ja. – Jaja. – Binnen twee weken.
Ja. Een rode ballon? Natuurlijk . Is Peter daar?
Peter?
Braaf zijn, he jongen. – Jaja. – Natuurlijk.
Een doos kleurtjes. – Een grote. – Maar natuurlijk. Dat weet je toch.
Jaja. – Dag! – Dag.
Dag.

‘t Werden drie maanden.
En de rode ballon – vergeten.
En de doos kleurtjes – vergeten.
Vergeten.

Goeie kinderen. De beste.
Geen woord van verwijt. Maar die ogen.
Toen al lag Elfi star en stijf onder een kleed van sneeuw ergens langs de kant van de weg tussen Mechelen en Brussel, en Peter hief ‘s morgens al zijn eerste glas.
“Anders kan ik niet tekenen, pa.”

Ze had niet mogen doodgaan.
Er was vals gespeeld.
Ik had geen stem.
Geen eigen woorden.
Wat moest ik hun vertellen?

De goden zijn jaloers als ze zien hoe gelukkig een man kan zijn met zijn vrouw en kinderen. Ze ontnemen de man zijn vrouw, en de stem die hij nodig heeft om zijn kinderen tegen hen te beschermen.
Jezus Christus.

Daarna ben ik met een serpent getrouwd.
Als je ‘t paradijs moet verlaten, kom je niet op de aarde terecht …
Integendeel … Dan beland je in de hel.
“Ik zal goed zijn voor de kinderen. Een tweede moeder.”

Ik heb haar in ‘t openbaar verkocht.
Op de Vrijdagmarkt.
Met alles erop en eraan.
Aan de minst biedende.
“Wie biedt er minder dan vijftig frank? Vijftig frank!
Vijfenveertig! Vijfenveertig!
Wie minder dan vijfenveertig?
Veertig! Ik heb veertig frank! Veertig frank!
Voor een moordwijf! Met alles erop en eraan!
Zie die borsten!
Speciaal behandeld volgens de laatste nieuwe natuurlijke methode!
Vast en stevig! Elastisch! Een venus van Milo!
Zie die dijen! Rond en gespierd als de beste ratteval!
Wie biedt er minder dan veertig frank?
Ik heb veertig frank!
Veertig frank voor de mooiste ratteval van Antwerpen!”

‘t Was kopen op foto.
Een naaktfoto.
Voor een naturistenblad.
Vergroot. Levensgroot.
Zelf stond ze te kijken in ‘t raam boven een café.
En ze lachte.

Ze wist dat ik een enorme flater beging.
En ik wist het ook.
Maar ik kon het niet laten.
Om niet te stikken.
Ze had de politie opgebeld.
En voor ik haar zou kunnen verkopen, zouden ze mij hebben opgepakt en opgesloten voor altijd.
Gevangenis of gekkenhuis, om ‘t even.

“Hij was bezig zijn vrouw te verkopen, edelachtbare.”
“Zijn vrouw verkopen!”
“Ja, edelachtbare. In ‘t openbaar.”
“In ‘t openbaar!”
“Ja, edelachtbare. Op de Vrijdagmarkt. Aan de minst biedende.”
“De minst biedende!”
“Ja, edelachtbare.”
“Hahahahahaha!”
“Echt waar, edelachtbare.”
“Hmmm. Hmmm. Zo zo. Nu, beschuldigde, wat heb je daarop te zeggen?”

“Ik wou ze kwijt, edelachtbare.”
“Je wou ze kwijt!”
“Ja, edelachtbare. ‘k Heb het eerst geprobeerd uit der hand.
Met proeftijd. Maar ze brachten ze telkens weer terug.”
“O ja?”
“Ja, edelachtbare”
“Hahahahahaha! Dat mag toch niet!”
“‘t Was met proeftijd, edelachtbare.”
“Je vrouw verkopen!”
“Dat doen ze toch allemaal, edelachtbare, als ze er de kans toe zien.”
“O ja?!”
“Ja, edelachtbare.”
“Hoe bedoel je dat?”
“Voor hun carriere, edelachtbare. Of uit vriendschap. Ze ruilen ze voor wat anders, of lenen ze uit. Nu, ik wou ze definitief kwijt. En als ‘t dan toch niet lukte uit der hand, dan maar in ‘t openbaar. Meer is er niet aan de hand.”
“Meer is er niet aan de hand! Hahaha! Hahaha! En … is ze nu verkocht?”

“De politie heeft er zich mee bemoeid, edelachtbare, net voor ik de koop definitief kon toewijzen. Hierbij leg ik trouwens klacht neer tegen de politie, wegens het verstoren van een door gewoonte gewettigde transaktie, en van de goede orde.”

“Man, jij bent niet goed wijs, jij! Jij bent in staat ook nog andermans vrouw te verkopen!”
“Tot uw dienst, edelachtbare. En gratis. Als de edelachtbare mij – misschien – zijn vrouw – als de edelachtbare ze kwijt wil – Maar er moeten wel gegronde redenen zijn.”

Stilte … en nog meer stilte.

“Maar jij bent echt gek, jij!!”

En hier ben ik dan, bij jullie.

Dat was kort nadat ze Elfi vonden. Onder de sneeuw.
Naast de weg tussen Mechelen en Brussel.
Op weg naar haar ‘verloofde’. Die er met een ander vandoor was.

Of was ze toen op weg naar mij?
Ik speelde toen “Dodendans”, van Strindberg.
In de K.V.S. in Brussel

Ik had die rol nooit mogen aanvaarden.
Je mag nooit een rol spelen die je op ‘t lijf geschreven is, zoals ze in ‘t milieu zeggen.
Daar ga je alleen maar verder kapot van.
Met een rol moet je kunnen vechten.
Je moet hem eronder krijgen.
Niet hij jou.
Je mag alleen maar rollen spelen die je vreemd zijn.

Maar ‘t gekke is, dat als ik mij over een rol buig, dat die rol mij dan opzuigt.
Terwijl eigenlijk ik die rol zou moeten opzuigen.
Dat komt omdat ik geen eigen stem heb.
Geen eigen woorden.
Of is het juist omgekeerd?
Heb ik geen eigen woorden, omdat ik telkens weer opgezogen word door een of andere rol?

Misschien is dat wel het geheim van mijn succes?
Succes.
Maar waar sta je tenslotte zelf?!
Je reinste prostitutie.

‘t Zou allemaal anders zijn gegaan als ze had willen scheiden.
Of als Lena .. de derde … om het voor jullie wat overzichtelijk te maken, met mij had willen samenwonen.
Samen met Elfi en Peter.
Zij had een goeie moeder kunnen zijn.
Want het was een goeie vrouw.
Ik heb eigenlijk nooit goed begrepen wat er met haar aan de hand was.

Op een dag wou ze terug naar haar man.
Zo maar.
Geen ruzie.
Geen verkoeling de dagen ervoor.
Integendeel.
Elke dag beter.
Dieper.

Als ik me haar voorstel, dan is het ergens verweg.
Aan de andere kant van de bergen.
Ze speelt er met haar kinderen.
Mijn kinderen.
En als de kinderen naar bed zijn
“Slaap wel, Elfi. Slaap wel, Peter” dan begint ze te breien.
Een lange sjaal … Oneindig lang.
Zoiets als het borduurwerk van Penelope.

Nu en dan houdt ze op.
Kijkt voor zich uit, in de verte, waar ik ben, Odysseus, aan de andere kant van de bergen.
Merkt dan dat haar man naar haar kijkt.
Die kwal.
En ze breit weer voort, alsof er niets aan de hand is.

Hij weet van ons.
Dezelfde avond al dat ze terug thuis kwam.
“Ik ben verliefd op een akteur”, zei ze.
“O ja?” zegt hij.
“Ik ben verliefd op hem”, zegt ze. “Al lang.”
“O ja?”
“We zijn elkaar dicht genaderd”, zegt ze.
“Hoe dicht?”
“Heel dicht”, zegt ze.
“Heb je met hem geslapen?”
“Ja.”
“Nu, dat is dan wel heel dicht.”
“Drie weken lang”, zegt ze. “De drie weken dat ik met die vriendin op vakantie was, zogezegd.”
“Drie weken”, zegt hij. “Nu, dan heb ik nog heel wat streepjes op hem voor, zou ik zeggen.”

De smeerlap.
De kwal.
Hij had zijn krant zelfs niet neergelegd.
Nu zit hij naar haar te loeren, maar niets is zo veilig als breien.
In zo’n breiwerk kan je alles verwerken wat je denkt en voelt, zonder dat iemand er wat van merkt.
Daarom breien vrouwen zo graag.
En daarom zitten er altijd kleine foutjes in al dat breiwerk.
Onmerkbaar kleine foutjes, in al die sjaals en pullovers en mutsen en handschoenen.
En zo loopt de echtgenoot te pronken met de merktekens van haar geliefde.
Evenveel foutjes als hij streepjes voorheeft.
Worden allemaal in die sjaal weggebreid.
En nog meer!
Nog veel meer!!!

“Als ik nog langer bij je blijf, kan ik je niet meer missen”, zei ze.
“En wat moet er dan worden van mij?”
“Ik hou van je”, zei ik.
“Ja”, zei ze, “ik hou van jou”.
“Nu dan”, zei ik.
“Jij wil een moeder voor je kinderen”, zei ze.
“Ik wil jou”, zei ik.
“Nee”, zei ze, “jij wil je eerste vrouw terug.”
“Die is dood”, zei ik.
“Nee”, zei ze, “die leeft. Daar.”

Ze wees op mijn voorhoofd.

“Nee”, zei ik, “ze is dood. Maar jij kan haar vervangen.”
“Jouw dode koningin”, zei ze.
“Ze is dood … maar ze zit naast jou op de troon.
En allemaal moeten ze haar de hand kussen. Je tweede vrouw.
En je kinderen. En al je minnaressen tussendoor. En ik.
Maar dat kan ik niet. En toch, als ik nog langer blijf, zal ik je niet meer kunnen missen, en zal ik haar de hand kussen. Haar knokerige hand. En dat wil ik niet.”

Ze heeft me geschreven hoe erg ze ‘t vindt van Elfi, onder de sneeuw – ergens tussen Mechelen en Brussel.
En dat ze zich erg schuldig voelt … Maar dat is onzin.
Iedereen is schuldig … En niemand.
Ieder wil toch zijn eigen leven leven … Of niet soms?

Daarvoor zijn we toch hier.
Fredje ook … En zij ook.
Had Elfi meer geld gehad die avond, of had ze tot de volgende morgen kunnen wachten, dan had ze tot Brussel kunnen rijden.
Maar toch, – misschien, wat later, op een andere manier …

‘t Is triestig hoe allerlei dingen, en mensen, soms samenkomen in een punt waar ‘t allemaal een katastrofe wordt … één grote katastrofe.
En dat er dan geen weg terug meer is.
Tenzij.

Als Peter morgen op bezoek komt, moet ik de woorden vinden, de juiste woorden, mijn eigen woorden, die aan zijn hand de vastheid geven om te kunnen tekenen wat hij tekenen moet …
Zonder die drie glazen bier.
Want hij tekent prachtig, weet je.
Wat zo’n jongen niet allemaal tekent.

En ik vrees dat het van drie glazen, vier glazen worden en vijf, en dat het bier zijn hersenen aantast, en zijn hart, en als het bederf daar zit, in de hersenen en in het hart, wat helpt een vaste hand dan nog?
Dan verzeil je toch bij de gekken.
Bij ons – die ze daarbuiten gekken noemen.

Ik ben een beetje – moe.
Dat flesje was er te veel aan.
Ik heb het gekregen van een oude vriend …
Geerfd.
Zeventig was hij …
Longkanker.
Hartstochtelijk roker.
In alles hartstochtelijk.

De avond voor hij doodging, had hij mij en nog enkele vrienden uitgenodigd op een paar flessen roze champagne.
Speciaal voor die gelegenheid – lang geleden gekocht en bewaard.

Een gezellige avond.
De gekste herinneringen aan vroeger.
En over de natuur.
Hoe mooi die wel is.

En over die keer dat hij de koekoek had horen roepen, toen hij die juist erg hard nodig had. Allemaal alsof er niks ergs aan de hand was.
Alsof er iets te vieren viel, met de feestelijkheid van een zonsondergang boven de zee.

Hij wou dat ik zou blijven als laatste.
Voor een laatste mededeling.
Jarenlang had hij een geliefde gehad.
Dat wist ik. Iedereen wist het.

In een overvloed van gedichten had hij haar bezongen in alle toonaarden.
Door haar was hij gekomen tot een soort ” godservaring ” waarin alle dingen en mensen hun plaats hadden.
‘t Was één harmonie.
En toen plots – niks meer.
Geen regel.

Nu zou hij mij vertellen hoe dat gekomen was.
Iemand moest het weten … voor de gemeenschap, mij had hij uitverkoren om het te weten. In zijn verdriet omdat zij er telkens weer vandoor moest vertelde hij haar eens dat hij voortaan elke avond in de gedaante van een uil in de boom voor haar slaapkamer zou zitten. En dat zij ‘s nachts naar hem toe zou komen en bij hem zijn.

Haar man zou daar lucht van krijgen en op een keer zou hij haar naar buiten volgen, met zijn geweer, en de uil uit de boom schieten. Haar verdriet zou zo groot zijn dat zij zelf stilaan een uil zou worden en wegvliegen en hem zoeken.

Verder was hij niet geraakt met zijn verhaal.
Als hij een uil wou zijn, dan was dat zijn zaak, maar dan had zij met hem niets meer te maken.
En zij zelf een uil, daar bedankte ze feestelijk voor.
Ze was dan misschien wel gek, maar niet zo gek.
En als hij de kleine jongen wou spelen, zij was een volwassen vrouw.
En de groeten.

En toen had ze de brief verscheurd, hun heilig verbond tegen de wereld, die ze verzegeld hadden met een druppel van hun bloed.

Hij was erg romantisch.
Nog altijd.
Even romantisch als zij geweest was, toen ze nog van hem hield.
En hij begreep haar niet.

Hij dacht: de brief kan je verscheuren, maar het verbond blijft.
Want het bloed behoort toe aan de ziel, en de ziel blijft.
‘t Is een vergissing.
Ze zal het inzien en terugkomen. Maar ze kwam niet terug.

Van haar dochter hoorde hij dat haar moeder, alle uilen die hij haar ooit gegeven had, het huis had uitgesmeten, met het huisvuil mee.
En mij erbij, dacht hij …

En zo is hij stilaan doodgegaan.
Geen lucht meer.
Langzaam leeggelopen als een fietsband. Tot op de velg.
Jarenlang heeft hij nog voortgefietst, met platte banden.
Daar wordt je heel moe van.

Als de ziel het niet meer uithoudt, sluit zij met het lichaam een verbond, en dat zorgt dan voor een minnelijke schikking … en levert de nodige camouflage voor een onopgemerkte maar degelijke zelfmoord.

En toen gaf hij mij dit flesje.
Hij had het al die tijd bij zich gehad.
Lang geleden gekregen van een goede vriend.
Voor wat wijsheid in de moeilijke uren.

Ik moest het nu maar verder bij mij houden, voor wat wijsheid … in de moeilijke uren. Want vroeg of laat komen die toch. Als je tenminste leeft.
Maar je wordt er wel moe van, van zoveel wijsheid.

Ik denk dat hij nu, in al zijn wijsheid, zou doen wat ik van plan ben, en jullie ook aanbeveel: Rustig de tijd nemen voor een hartig kopje koffie, en een gezellig babbeltje samen, over hoe mooi de natuur wel is, en over die keer dat je de koekoek hebt horen roepen … en zo.

En voor wie niet van koffie houdt – een theetje of een biertje mag ook.
Of een borreltje of een glaasje wijn.
Alhoewel ik jullie koffie aanbeveel.
Want dit was nog maar de introduktie.
Het eigenlijke programma, waarvoor ik gevraagd ben, moet nog beginnen.

Mijn excuses als die introduktie naar jullie gevoel wat te lang is uitgevallen.
Maar dat is de schuld van dit flesje.
Maar nu is ‘t leeg.
En ik zal ‘t niet opnieuw gaan vullen.
Hoe hard ik het misschien ook nog nodig heb.

Ik laat het hier.

Ik drink verder wel koffie.

(Af)