Ze werd door de KU Leuven weggekaapt van de Universiteit Maastricht om met een beurs van liefst 5,2 miljoen euro het Centrum voor Contextuele Psychiatrie uit de grond te stampen. Inez Germeys (46) uit Bilzen is dan ook niet de eerste de beste wetenschapper. Als toponderzoeker is ze een van de baanbrekers van de contextuele psychiatrie, waarbij patiënten niet langer alleen maar op de sofa worden ondervraagd, maar als expert van hun eigen ervaringen zichzelf opvolgen in het dagelijkse leven. Zelf bleef de hoogleraar psychiatrie niet gespaard van geestelijk onheil. “Ik maakte een burn-out door”, vertelt ze. “Hoe heftig en zwaar die ook was, het was een kans om met een aantal dingen te dealen.”

Met een hemelsbrede glimlach ontvangt Inez Germeys ons in haar kleine kantoortje, in de uithoek van een lange, hagelwit gelakte ziekenhuisgang van het verder aftandse Leuvense Sint-Rafaël. “Het was hier eerder vervallen toen we introkken”, vertelt Germeys, “maar ze hebben onze gang dan toch een beetje opgekalefaterd.” Het vervallene opkalefateren: het is Germeys niet vreemd, zij het dat in haar vak de menselijke psyche het lijdend voorwerp is. De hoogleraar psychiatrie heeft zich gedurende ruwweg een kwarteeuw in deze expertise kunnen bekwamen, eerst tijdens haar studies in Leuven, vervolgens aan de Universiteit Maastricht, om ten slotte weer thuis te komen in de Vlaams-Brabantse studentenstad. Professor Germeys is afkomstig van Edegem, maar woont al 22 jaar in Limburg, meer bepaald in Hees (Bilzen). Haar onderzoek in Maastricht noopte haar destijds om een plekje dichter bij het werk te zoeken. “Na al die jaren ben ik een volbloed Limburgse”, lacht Germeys. “Althans, mijn dochters zeker. Ze zijn alle drie in Limburg opgegroeid.” In Bilzen dus, op een steenworp van Maastricht waarnaar de jonge psychologe in 1995 verkaste om er te doctoreren. “Ik dacht dat ik er m’n doctoraat zou doen en that’s it. Maar ik ben er blijven hangen, zo’n twintig jaar. Tot ik kon terugkeren naar Leuven om er het Centrum voor Contextuele Psychiatrie op te starten.”

Vrouwelijke wetenschappers zijn op uw niveau niet dik gezaaid. Hebt u het glazen plafond van de academische wereld doorbroken?

“Dat denk ik wel. Maar het is nog altijd geen evidentie. In de hoofden van mensen – ook vrouwen – heerst nog altijd het beeld dat een onderzoeker een man in een grijs pak is. En ik betrap mezelf ook nog vaak op die gedachte. Als ik bijvoorbeeld een artikel lees van een prof, en de voornaam staat er niet bij, dan denk ik automatisch aan een man. Als ik dan ontdek dat het om een vrouw gaat, schrik ik daarvan. Maar daarnaast ervaar ik ook dat het best moeilijk is om vrouwen te motiveren om in het onderzoek actief te blijven. Ik zie bijvoorbeeld veel vrouwen na hun doctoraat afhaken. Omdat het zo’n competitieve wereld is, of omdat ze aan een gezin beginnen en daar voluit voor willen gaan. Dat vind ik wel jammer; het is een uitdaging voor de toekomst om competente vrouwelijke wetenschappers aan boord te houden.”

Was het van kindsbeen af al uw grote droom om wetenschapper te worden?

“Nee, ik wilde dierenarts worden. (lacht) Later ben ik psychologie gaan studeren met het idee om therapeut te worden, om mensen te helpen. Maar ik heb al vrij vroeg in mijn studie ontdekt dat ik zeer geïntrigeerd was door de wetenschappelijke kant. De theorie, de methodologie, de statistiek… Die dingen spraken mij heel erg aan. En dat is alleen maar zo gebleven.”

Na uw studies in Leuven trok u naar de Universiteit Maastricht, waar u de eerste professor ‘ecologische psychiatrie’ werd. Dat klinkt niet alledaags in de oren.

“Dat is zo. Bij ‘ecologisch’ denken mensen meteen aan bomen knuffelen en zo. (lacht) De term komt eigenlijk uit de ecologische psychologie, die handelt over de fundamentele interactie tussen de persoon en zijn omgeving. Maar sinds het woord ‘ecologie’ ook in andere contexten gebruikt wordt, werd die term een beetje onduidelijk. Vandaar dat we nu over contextuele psychiatrie spreken.”

In Maastricht doctoreerde u met onderzoek naar de stressgevoeligheid van patiënten met psychose. Iedereen weet dat cannabis de kwaal kan uitlokken. Hebt u er zich zelf ooit aan bezondigd?

“Nee, ik kan niet inhaleren. (lacht) Ik heb wel ooit eens op het punt gestaan om een stuk spacecakete eten, maar toen bleek dat ik zwanger was, en dus heb ik daarvan afgezien. Nu, ik vind het wel grappig dat je zegt: ‘Iedereen weet het’. Want dat is bijvoorbeeld een van de effecten van wetenschappelijk onderzoek: dat mensen intussen weten dat cannabis een rol kan spelen in de ontwikkeling van psychose. Tien jaar geleden wist het publiek dat dus nog niet. Een bewijs van het belang dat wetenschappelijk onderzoek gebeurt én naar buiten komt.”

Uw avontuur in Maastricht eindigde eind 2015, toen u na 20 jaar onderzoek weggekaapt werd door de KU Leuven om met een budget van meer dan 3 miljoen euro het nieuwe Centrum voor Contextuele Psychiatrie op te starten…

“Het is uiteindelijk zelfs 5,2 miljoen euro geworden.”

Ik wilde nog zeggen dat 3 miljoen een uitzonderlijk hoog ‘transferbedrag’ is. 5,2 miljoen is gigantisch.

“Wel, in Vlaanderen kunnen wetenschappers meedingen naar de Odysseusbeurs van het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek, die ernaar streeft om buitenlandse toponderzoekers naar hier te halen. Ik besef nu plots dat het nogal vreemd klinkt dat ik mezelf zo noem. (lacht) Dat is een echte competitie, die beurs wordt je niet zomaar in de schoot geworpen. De consequentie is dat dat écht grote bedragen zijn, omdat ze je moeten toestaan om effectief een lab op te starten en uit te bouwen. Ik had voor mijn project 5,2 miljoen aangevraagd, maar uiteindelijk werd ik derde, en zou ik dus ‘maar’ 3,3 miljoen krijgen. Tot bleek dat de tweede in de competitie had afgehaakt, en dus had ik toch recht op die 5,2 miljoen.”

Dat moet uw ego strelen.

“Jazeker, ik was daar uiteraard blij om. Maar ik was ook blij voor mijn vak, want de psychiatrie is eigenlijk chronisch ondergefinancierd, zeker wat betreft het wetenschappelijk onderzoek. Als je bijvoorbeeld vergelijkt met de somatische geneeskunde (de lichamelijke geneeskunde, in tegenstelling tot de psychische, nvdr.), is het altijd een gebied geweest waar veel minder geld naartoe ging. Dus ik vond die beurs ook wel een erkenning en een boostvoor ons vakgebied.”

Wat doet dat nieuwe onderzoekscentrum precies?

“Ons onderzoek vertrekt vanuit de zienswijze dat psychiatrische klachten ontstaan in interactie met de omgeving, vandaar ook de benaming ‘contextuele’ psychiatrie. En als we die klachten willen begrijpen, moeten we ze niet alleen onderzoeken tijdens een consult bij de psychiater of psycholoog, maar ook in interactie met de omgeving. Daartoe hanteren we de experience sampling-methode, waarbij patiënten in het dagelijkse leven hun probleem in kaart gaan brengen. Ze gebruiken daarvoor een app op hun smartphone, die op willekeurige tijdstippen een signaal geeft, waarna de patiënten rapporteren hoe ze zich op dat moment voelen. Tegelijkertijd peilt de app dan ook naar waar ze zijn, met wie, in welke omgeving, enzovoort. Zo krijg je een gedetailleerd beeld van wat de context is, en hoe de patiënt zich daarin voelt en gedraagt. Daar doen we onderzoek naar.”

Eigenlijk zegt u dat het dagelijkse leven van een patiënt de psychiater of psycholoog vaak ontglipt. Maar een patiënt kan toch ook gewoon bij de psychiater op de sofa vertellen hoe het met hem gaat?

“In de praktijk blijft het daar ook vaak bij, dat de patiënt tegen de psychiater vertelt hoe het hem de afgelopen weken is vergaan. Maar dat heeft beperkingen. Om te beginnen zijn je herinneringen gekleurd: hoe precies weet jij vandaag nog hoe je je twee weken geleden op die bepaalde dag voelde? Ik vergelijk het een beetje met suikerziekte: de bloedspiegel van een diabeticus wordt ook niet slechts eenmaal per maand bij de huisarts gemeten. Nee, de huisarts geeft je een apparaatje mee waarmee je thuis of op je werk op verschillende tijdstippen per dag je suikerspiegel kan meten.”

U zei eerder daarover: “We moeten in de psychiatrie de zwarte doos van het dagelijkse leven openen”.

“Klopt, we moeten toegang krijgen tot het leven van de psychiatriepatiënt. Want net als bijvoorbeeld de bloedsuikerspiegel van een diabeticus, kunnen psychische klachten heel erg variëren van moment tot moment. Bovendien zijn mensen in het algemeen heel slecht in staat om hun eigen patronen te zien, omdat je nu eenmaal geen afstand van jezelf kan nemen. Onze methode, waarbij je in het ‘nu’ informatie over jezelf moet geven, kan bijdragen om wél een beter algemeen beeld te krijgen.”

Eén op de vier mensen krijgt vroeg of laat af te rekenen met psychische problemen, en toch rust er nog steeds een zwaar stigma op: ‘psychische klachten zijn een teken van zwakte’.

“Tja, er wordt heel weinig over gepraat. Al moet ik wel zeggen dat er in Vlaanderen veel mooie initiatieven zijn, zoals bijvoorbeeld Te Gek!?, de organisatie die psychische problemen bespreekbaar wil maken. En toch, psychische klachten blijven iets waar je niet over praat.”

Hoe kan het toch dat er anno 2018 nog steeds zo’n huizenhoog taboe bestaat?

“Ik denk dat mensen psychische problemen als een soort van persoonlijk falen zien. Als het henzelf of hun kinderen overkomt, denken mensen vaak: ‘We hebben iets fout gedaan’. En dat is heel erg jammer. Je zou een psychische aandoening eerder moeten zien als een signaal: ‘Er loopt iets mis, een persoonlijke crisis, maar ik krijg nu wel de mogelijkheid om iets te veranderen.’ Als je het op die manier zou formuleren, dan kan je positiever naar je probleem kijken, als een kans om te groeien. Al is het natuurlijk niet altijd zo simpel. Soms is het probleem gewoon te zwaar. En dan is het zeker geen teken van zwakte dat iemand met klachten blijft worstelen, daar wil ik zeer duidelijk in zijn. Dan is het aan ons om die mensen te helpen een plek te vinden in onze maatschappij, al dan niet met beperkingen.”

Hebt u zelf al eens te kampen gehad met een psychische problematiek?

“Ja, ik heb een burn-out gehad, in 2013. Die heeft mij doen besluiten om andere horizonten op te zoeken, en dat heeft geleid tot mijn komst naar Leuven.”

Durfde u zelf met anderen te praten over uw burn-out?

“Dat is een goede vraag, want het klopt: ikzelf heb er inderdaad ook niet zo veel over gesproken. Wel met familie en goede vrienden. Maar bijvoorbeeld tijdens de volleybalwedstrijden van mijn dochters, heb ik het nooit verteld tegen de andere moeders die ik nochtans ook goed ken. Dus ja, ook bij mij heerste het grote taboe. Ik heb er mezelf net trouwens op betrapt, toen je de vraag stelde: ‘Zou ik het vertellen of niet?’ Aan de andere kant ben ik eigenlijk wel blij dat ik die burn-out heb doorgemaakt, want daardoor ben ik zelf ervaringsdeskundige geworden. Ik weet nu dus hoe heftig en zwaar het kan zijn, maar ik heb geen spijt dat ik het heb meegemaakt. Ik heb echt het gevoel dat die burn-out voor een stuk een ontwikkeling was, een kans om met een aantal dingen te dealen.”

Ondertussen heeft Vlaanderen al decennialang een van de hoogste zelfmoordcijfers van Europa. Hoe slecht zijn wij bezig?

“In dat opzicht natuurlijk niet goed. Het is een zeer complex gegeven. (denkt na) Ik denk dat het wel wat te maken heeft met het feit dat wij een volk van binnenvetters zijn. Mensen spreken – zoals daarnet al gezegd – niet zo snel hun problemen uit. We zijn ook zeer prestatiegericht, en dat begint al op de schoolbanken. Dat lijdt tot veel druk, veel stress…”

Men zou dan denken dat het tij te keren valt door meer in te zetten op preventie in plaats van behandeling.

“Dat sowieso, dat is heel belangrijk. We moeten zeker evolueren naar meer preventie, naar een vroegtijdige detectie en dus ook behandeling van problemen. Maar het landschap van de psychiatrie is in België erg versnipperd. Als jongeren met psychische problemen te maken krijgen, dan is het echt niet evident om hun weg te vinden. Al worden er heel mooie initiatieven genomen, zoals TEJO, Therapeuten Voor Jongeren. Dat is een heel laagdrempelige hulpverlening in de vorm van inloophuizen waar jongeren gratis en anoniem kunnen aankloppen. Ze krijgen dan van vrijwillige therapeuten maximaal acht sessies, waarna men de jongere eventueel de weg kan wijzen in de reguliere hulpverlening.”

Alleen: Limburg blijft achter, want er is in onze provincie geen TEJO-huis.

“Inderdaad, je moet in Limburg maar een jongere zijn die hulp nodig heeft. Waarmee ik wil zeggen dat er wel enkele goede initiatieven zijn, maar het zou eigenlijk veel breder moeten. En de hulpverlening in het algemeen moet laagdrempeliger. De adolescentie is immers een heel belangrijke periode, we weten dat dan het grootste deel van de psychische aandoeningen ontstaat. Als we daar vroegtijdig kunnen ingrijpen, dan kunnen we op langere termijn veel problemen vermijden.”

Helaas is onze zorg daar niet aan aangepast. Op een bepaald moment wordt zo’n jongere 18 en dan verdwijnt hij of zij uit de jeugdpsychiatrie om te moeten overstappen naar de volwassenenpsychiatrie. Maar daar loopt het vaak mis.

“Ja, dat is een probleem. Net in de meest kwetsbare periode, tussen het 15de en 25ste levensjaar, zit er een enorme breuklijn in ons zorgsysteem. Veel jongeren vanaf 18 vinden hun weg niet binnen de volwassenenpsychiatrie en verdwijnen zo uit het zicht. Niet alleen in Vlaanderen, maar in veel westerse landen is dat zo. Je merkt dan ook dat er internationaal veel vraag is naar een hervorming van dat systeem.”

U bent constant in de weer met de geestelijke gezondheid van anderen. Neemt u uw werk ook mee naar huis?

“Ik werk veel, maar ik heb geleerd om op vrijdagavond het knopje op ‘uit’ te zetten, en het pas maandag opnieuw aan te zetten. Al moet ik toegeven dat ik op zaterdagochtend soms toch weer die laptop durf vast te nemen. Maar ik probeer een goeie werk-privébalans te houden. Ik heb een gezin met drie kinderen, dus als mijn man en ik in het weekend ook nog met ons werk bezig zouden zijn, zou dat ondoenbaar zijn.”

Dus het cliché dat proffen zeven dagen op zeven in hun ivoren toren aan het werk zijn, klopt niet?

“Ik denk dat dat cliché komt uit de tijd dat enkel mannen proffen waren, en thuis een vrouw hadden die alleen het gezin draaiende hield. (lacht) Die mannen moesten niet – en nu ga ik stoute dingen zeggen – efficiënt werken, want ze konden de vrijheid nemen om hun werk over zeven dagen te spreiden. Ik denk dat de huidige generatie, en dan heb ik het niet alleen over de vrouwen, gewoon efficiënter werkt. Waarmee ik bedoel: harder tijdens de week en minder in het weekend.”

Uw man is ook hoogleraar, in de filosofie. Hebben jullie elkaar op de unief leren kennen?

“Nee! In jeugdcafé ‘Het Varken’ in Edegem, wellicht de meest onwaarschijnlijke plek waar twee latere proffen elkaar kunnen leren kennen. (lacht) Het is eerder toevallig dat we beiden academici zijn geworden.”

Waar hebben twee academici het aan de keukentafel zoal over?

“Dat vragen veel mensen. Maar het gaat meestal over wie de kinderen gaat halen, of wie er zal koken. Gewoon, de dingen waar de meeste andere mensen het over hebben. Al moet ik toegeven dat wij het ook wel vaker over werkgerelateerde dingen hebben. We hebben bijvoorbeeld al enkele publicaties samen. Het is leuk dat we allebei onze eigen expertise hebben, maar we hebben ook veel raakvlakken.”

Jullie hebben drie tienerdochters van 16, 18 en 19. Durven zij weleens rebelleren, of is die periode voorbij?

“Nee, die is nog niet voorbij. (lacht) Het zijn drie kritische, welbespraakte jongedames die momenteel een heel boeiende leeftijd hebben. Zeer interessant om te zien hoe ze hun leven zelf beginnen vorm te geven. Maar ze durven onderweg zeker wel tegen ons in te gaan.”

En komt in mama Inez dan de psychologe naar boven om bepaalde situaties te analyseren of te ontmijnen?

“Mijn kinderen zeggen soms van wel. ‘Oh nee, daar is de psycholoog weer’, klinkt het dan. Dus ja, dat durven ze wel.” (lacht)

Tot slot: u hebt op uw 46ste al een indrukwekkend parcours achter de rug. Wat mag ik u nog toewensen op professioneel vlak?

“Wel, dat we onze experience sampling-methode ook in de klinische praktijk kunnen gaan toepassen. Want ik doe wetenschappelijk onderzoek om iets te kunnen betekenen voor de patiënten van morgen, en misschien ook al voor die van vandaag. Ik zou het heel erg jammer vinden als ik op het einde van mijn carrière zou moeten zeggen dat ik op wetenschappelijk vlak een schitterend parcours heb gereden, maar dat het in de praktijk niets heeft opgeleverd.”

En op persoonlijk vlak?

“Ik hoop nog heel lang een gelukkige moeder te mogen zijn, met een fijn gezin en een fijne man. En vooral: dat ik dat zo veel mogelijk mag beseffen. Geldt dat niet voor ons allemaal?”